Onderzoek naar vroege taalontwikkeling

07-04-2017

In landen als Duitsland en de Verenigde Staten wordt veel meer dan in Nederland gebruik gemaakt van standaardvocabulaires voor kinderen die communiceren met behulp van een spraakcomputer. Al op jonge leeftijd wordt deze kinderen een uitgebreid vocabulaire aangeboden. De filosofie hierachter is kinderen niet in hun ontwikkeling te beperken en hen op dezelfde manier met taal te confronteren als kinderen die zich op normale wijze ontwikkelen.

Kinderen horen van jongs af aan voortdurend gesproken taal om zich heen. Van het grootste deel begrijpen zij in eerste instantie nog maar weinig. Maar door imiteren en fouten maken bouwen zij spelenderwijs hun productieve woordenschat en taalsysteem op. Kinderen met een communicatiebeperking kunnen dat echter niet.

Door communicatiehulpmiddelen uit te rusten met een beperkt, bij de leeftijd en het niveau passend, persoonlijk vocabulaire, zouden deze kinderen geremd kunnen worden in hun verdere ontwikkeling, aldus de filosofie. Ze krijgen namelijk niet of slechts beperkt de kans om nieuwe woorden te leren uiten.

Door gebruikers van communicatiehulpmiddelen al van jongs af aan de beschikking te geven over een (“te”) uitgebreid vocabulaire, wordt ook deze kinderen de mogelijkheid geboden om hun ouders na te praten en spelenderwijs nieuwe woorden te ontdekken. Hulpmiddelen zouden dus naast persoonlijke inhoud voor het grootste deel uitgerust moeten zijn met “standaard” woordenschat, net zoals de woordenschat waarmee we sprekende kinderen confronteren, zo luidt de overtuiging.

Sprekende kinderen hebben echter niet alleen toegang tot een uitgebreid “vocabulaire” maar krijgen ook voortdurend een voorbeeld van hoe anderen spreken, en kunnen dat een-op-een imiteren. Kinderen met een spraakbeperking moeten eerst een vertaalslag maken. Zij moeten leren dat zij woorden kunnen “uitspreken” door naar een plaatje te kijken of erop te drukken. In verschillende methodieken speelt daarom modelling (voordoen) door ouders of begeleiders een belangrijke rol. Ouders van sprekende kinderen modelleren al van nature, voor kinderen die leren werken met een communicatiehulpmiddel zal dat geforceerd moeten worden, door tijdens het spreken de gesproken woorden aan te wijzen op het hulpmiddel.

Door het communicatiehulpmiddel op deze manier al in een vroeg stadium en tijdens leuke activiteiten in te zetten, bijvoorbeeld reacties te vragen bij het voorlezen van een verhaaltje, ervaren kinderen dat het gebruik van het hulpmiddel leuk én functioneel is.

Een Amerikaanse methodiek gebaseerd op bovenstaande uitgangspunten wordt nu in Nederland onderzocht door onafhankelijk logopedist en spraaktaalpatholoog Gerna Scholte. Deze methodiek richt zich in eerste instantie op meisjes met het Rett syndroom. rdgKompagne ondersteunt dit onderzoek van harte en heeft hiervoor een Tobii I-12 ter beschikking gesteld, voorzien van Communicator, Look to Learn en Gaze Viewer software. Deze zal binnen het onderzoek worden ingezet voor trainingen en assessments.

Over haar bevindingen houdt Gerna Scholte een blog bij op http://gernascholte.blogspot.nl. Onlangs publiceerde zij in het Vakblad Vroeg al een artikel over het belang van een vroege start met ondersteunde communicatie en oogbesturing. U kunt dat artikel lezen op http://gernascholte.blogspot.nl/2016/03/met-je-ogen-leren-praten.html.

 

Terug naar het nieuwsoverzicht